de dag van gister


de dag van gister 1.0

de vorige dag; gisteren

Algemene voorbeelden


Tussen vijf en zes uur in de ochtend: na een doorwaakte nacht het uur van de wezenloosheid, geen nacht meer en nog geen dag, nog de dag van gister en toch niet meer gister.

Hokwerda's kind, Oek de Jong,